Reflexwerking van de Wet Van Dam bij hostingcontracten

Hoewel de Wet Van Dam alweer een tijdje van kracht is, blijven er vragen ontstaan over de reikwijdte van deze wet. In de basis is het duidelijk: consumenten mogen na een stilzwijgende verlenging hun contract elke maand opzeggen, ongeacht de algemene voorwaarden. Maar een veelgestelde vraag hierbij is: wanneer kan een klein bedrijf of zzp’er zich hierop beroepen?

De Wet Van Dam, formeel de Abonnementenwet, legt het stilzwijgend verlengen voor lange tijd van abonnementen aan bande. Dit was namelijk een grote ergernis bij veel consumenten. Voorheen konden overeenkomsten stilzwijgend worden verlengd voor periode van meer dan één maand (meestal één jaar). Daarom bepaalt deze wet dat consumenten beschermd worden: na het eerste contractsjaar mag men elke maand opzeggen (bij kranten en tijdschriften mag dit per kwartaal zijn overigens), ook als in de algemene voorwaarden wat anders staat. Deze regel geldt voor alle producten en diensten, dus ook voor hostingcontracten.

De term “consument” betekent “particuliere persoon” die niet beroeps- of bedrijfsmatig contracten sluit. Bedrijven vallen hier niet onder en zijn dus gebonden aan de gewone regels uit de algemene voorwaarden van de leverancier. Dit geldt ook voor eenmanszaken en vennootschappen onder firma, hoewel daar soms een uitzondering geldt. Dit heet reflexwerking en wil zoveel zeggen dat het bedrijf in dit geval gezien moet worden als consument. Het idee hierachter is dat het bedrijf in die situatie eigenlijk dezelfde bescherming verdient.

De jurisprudentie (bv. Hoge Raad 21 september 2007, LJN BA7627) zegt dat het moet gaan om een ondernemer “die zich materieel niet van een consument onderscheidt en die in de uitoefening van beroep of bedrijf overeenkomsten sluit die buiten het gebied liggen van zijn eigenlijke professionele activiteit”. Vrij vertaald moet het gaan om een overeenkomst die de ondernemer net zo goed als consument had kunnen sluiten, zoals het kopen van een pak koffie bij de Albert Heijn. Overeenkomsten die wél op het terrein van de ondernemer liggen, kunnen dus niet via reflexwerking worden aangevochten.

In een arrest van het Europese Hof van Justitie (C-464/01, Gruber) werd bepaald dat het kerncriterium is of het bestelde bedoeld is “om te voorzien in de consumptiebehoeften van een persoon als particulier”. Wanneer het bestelde óók een zakelijk doel dient, moet gelden dat “de overeenkomst zo los staat van de beroepsactiviteit van de betrokkene dat het verband marginaal wordt”. Hieruit blijkt dus dat het overduidelijk moet zijn dat de persoon voor (enkel) zijn eigen particuliere behoefte een overeenkomst aangaat. In alle andere gevallen zal er sprake zijn van een professionele activiteit.

Het lijkt mij dat een website van een bedrijf zeer zeker bínnen het gebied ligt van de ondernemer zijn eigenlijke professionele activiteit. Op de website toont de ondernemer immers zijn diensten of producten met als doel om deze te verkopen. En van “consumptiebehoefte van een particulier” is al helemaal geen sprake. Reflexwerking zal dan ook niet opgaan bij een dergelijk webhostingcontract.

Natuurlijk kunnen ook consumenten webhosting afnemen. Maar dat gaat om een heel ander soort webhosting dan wat bedrijven nodig hebben. Een persoonlijke blog hosten of een fotocollectie online zetten, is bepaald niet vergelijkbaar met een bedrijfswebsite.


Niels Winters is juridisch adviseur bij ICTRecht.

Dit artikel verscheen 10 maart 2014 op hostingrecht.nl en is met toestemming van de auteur op ISP Today gepubliceerd.