Nieuwe brief over de aanpak van kinderpornografie oktober 2012

Demissionair Minister van Veiligheid en Justitie Opstelten heeft op 2 oktober 2012 weer een brief naar de Tweede Kamer gestuurd over de aanpak van kinderpornografie. In de terugkerende brief worden de maatregelen met betrekking tot de bestrijding van kinderpornografie beschreven.

Alhoewel mijn onderzoek zich tegenwoordig zich meer algemeen richt op de opsporing van de meer high tech vormen van cybercrime zijn de brieven altijd interessant om te lezen. Mijn aandacht richtte zich bij deze brief bijzonder op de filtermaatregel van kinderpornografie, virtuele kinderpornografie en het de ‘ontsleutelplicht’ bij encryptie.

Filteren van kinderporno
Webwereld kopte ‘Justitie wil filtering op kinderporno bij isp’s’ en in tegenstelling tot de auteur van het bericht maak ik uit de brief helemaal niet op dat justitie voornemens is een kinderpornofilter te verplichten. De bewindsman legt in de brief uit dat de filtermaatregel, waarin plaatjes die worden geüpload bij een hosting provider geblokkeerd worden als deze gelijk zijn (aan de hashwaarden van) plaatjes uit de KLPD-database, de verspreiding van kinderporno maar beperkt tegengaat. De reden daarvoor is dat de filter geen plaatjes detecteert en blokkeert die verspreid worden via ‘TOR-servers, peer-to-peer verbindingen, besloten nieuwsgroepen en andere digitale wegen’. De politie, het departement, en private partijen onderzoeken nu of en hoe ze een vervolg kunnen geven aan de pilot, aldus Opstelten. De titel van het bericht op Webwereld dat justitie wilt dat isp’s kinderporno gaan filteren wekt dus een verkeerde indruk. Persoonlijk heb ik er niets op tegen dat een hosting provider een dergelijk fijnmazige filter in gebruik neemt, maar zoals gezegd is het maar beperkt effectief en vormt het natuurlijk geen oplossing voor het kinderpornografieprobleem.

Virtuele kinderporno
Interessanter vind ik de steunbetuiging van Opstelten in de brief met betrekking tot de aanpak van virtuele kinderpornografie, waaronder tegenwoordig ook tekeningen, schilderijen en zelfs ‘realistische’ cartoons onder worden verstaan. Zie ook mijn vorige blogbericht over de aanpak van kinderpornografie voor achtergrondinformatie over virtuele kindrporno. Juridisch gezien kan het OM volgens mij best die zienswijze volhouden (alhoewel ik wel benieuwd ben hoe de Hoge Raad zich hier over zou uitspreken) en over de achtergrond van de strafbaarstelling van kinderpornografie (het bevorderen van de subcultuur van seksueel misbruik van minderjarigen) valt er weinig over op te merken, behalve dan dat ik nog steeds onderzoek wil zien die dat bevestigd. Wel is de aanpak van virtuele kinderpornografie voor een buitenstaander als ik een opmerkelijke strategische keuze om je beperkte opsporingscapaciteit op in te zetten. Daarnaast maak ik toch wel een beetje zorgen over de uitbreiding van het begrip kinderpornografie.

Opstelten merkt op dat verdachten van cartoons in ‘kinderachtige’ of ‘Manga-tekenstijl’ worden vrijgesproken. Bedoelt hij daar nu ook Hentai-filmpjes mee? Die conclusie kan je niet trekken, want het lijkt er op dat sommige Hentai-filmpjes of afbeeldingen wel degelijk illegaal zijn. Het is zelfs zo erg dat ik nu niet durf te linken naar de Wikipedia-pagina die het woord ‘Hentai’ uitlegt, omdat daar plaatjes op staan die misschien wel als kinderporno kunnen worden gekwalificeerd. Zie bijvoorbeeld deze deze uitspraak van het gerechtshof Arnhem en het vonnis van de rechtbank Zutphen waarin wordt bevestigd dat sommige Hentai-afbeeldingen kinderporno zijn!

Lees voor wat ‘food for thought’ ook eens dit interessante blogbericht van prof. Brenner. Daarin wordt uitgelegd dat in de Verenigde Staten het recht op de vrijheid van meningsuiting (‘the First Amendment’) het criminaliseren van virtuele kinderpornografie tegenhoudt. Volgens de Amerikaanse Supreme Court worden bij de vervaardiging virtuele kinderpornografie geen echte kinderen worden misbruikt en is – anders dan bij echte kinderpornografie – virtuele kinderpornografie slechts fantasie, geen vastgelegde werkelijkheid.

Encryptie
Tenslotte wil ik nog ingaan op het ontsleutelbevel waar naar in opdracht van het ministerie onderzoek is gedaan. Hier gaat om de maatregel dat verdachten in kinderpornozaken (of straks alle misdrijven??) verplicht kunnen worden om gegevens op hun computer toegankelijk te maken. Opstelten:

“Uit de voorlopige resultaten komt naar voren dat de ontwikkelingen in het buitenland en in de techniek suggereren dat een ontsleutelbevel verenigbaar is met het nemo tenetur-beginsel (het recht dat verdachten niet actief mee hoeven te werken aan hun eigen veroordeling) en ook effectief zou kunnen zijn, mits een eventuele wettelijke regeling en de uitvoering daarvan met voldoende waarborgen is omkleed.”

Zie mijn vorige blogbericht over de aanpak van kinderporno in relatie met het ontsleutelbevel. De visie van Opstelten is nogal een verschil met iets meer dan 10 jaar geleden, toen de toenmalige minister nog van mening was dat de maatregel een ‘stap te ver’ ging, wegens strijd met de verklaringvrijheid en zwijgrecht van de verdachte (Kamerstukken II 1998/99, 26 671, nr. 3 (MvT Wet computercriminaliteit II), p. 26). Hoewel de maatregel nu misschien juridisch mogelijk wordt geacht, zullen veel mensen het als een behoorlijke extra beperking in hun vrijheid (in hun privacyrecht) zien als de vergaande maatregel wordt doorgevoerd.

Opstelten ziet in elk geval wel wat in de ontsleutelplicht en laat de komende maanden onderzoeken welke concrete mogelijkheden het beleids- en wetgevingskader kunnen bieden. Opnieuw belooft hij ‘op korte termijn’ een brief met maatregelen en instrumenten over wetgeving en cybercrime naar de Tweede Kamer te sturen. Die brief zou hij al voor het zomerreces versturen (zie Kamerstukken II 2011/12, 30 517, nr. 25, p. 4 (brief van 25 mei 2012)), dus ik neem die toezegging maar met korreltje zout. Ik zie het t.z.t. wel verschijnen!



Jan-Jaap Oerlemans
is als medewerker en buitenpromovendus verbonden aan het centrum eLaw@Leiden van de Universiteit Leiden. Hij doet onderzoek naar knelpunten in de bestrijding van computercriminaliteit. Meer specifiek op het terrein van bijzondere opsporingsbevoegdheden en jurisdictie op internet. Naast zijn onderzoek is Jan-Jaap werkzaam als juridisch adviseur bij het IT-beveiligingsbedrijf Fox-IT.

Dit artikel verscheen op 4 oktober 2012 op de blog van Jan-Jaap Oerlemans en is met toestemming overgenomen op deze website.

Over Jan-Jaap Oerlemans