Wat (niet) iedereen verkeerd begrijpt over netneutraliteit

Op Wired.com verscheen maandag het eerste deel van een drieluik over netneutraliteit. Volgens de titel zou de auteur ons gaan vertellen wat we allemaal verkeerd begrijpen over netneutraliteit. Nou kom maar op dan.

Volgens Wired-journalist Robert McMillan klopt het model dat we met zijn allen hebben van het open, vrije en neutrale internet niet, omdat er al allerlei ‘fast lanes’ zouden bestaan. Als voorbeeld haalt hij aan dat grote content providers hun data binnen de netwerken van ISP’s of gespecialiseerde content distribution networks (CDN’s, zoals Akamai) opslaan, zodat de data eerder bij de eindgebruiker is. Daardoor zouden websites en diensten van grote bedrijven die daar geld voor hebben al sneller laden dan websites van kleine startups die daar geen geld voor hebben en zou er dus al een ‘fastlane’ bestaan op het internet.

CDN’s zijn geen fastlane
Alleen CDN’s zijn helemaal geen fastlanes en ze vormen in principe ook geen probleem voor netneutraliteit. Men slaat de content dichterbij de eindgebruiker op en daardoor heeft de eindgebruiker de content sneller binnen en worden tussenliggende netwerken ontlast. Dat is een beetje als een krant die een lokaal distributiecentrum opent, waardoor vrachtwagens met kranten niet steeds helemaal heen en weer naar de drukkerij hoeven. Daardoor wordt het snelwegsysteem ontlast en kan de krant eerder bij mensen thuis worden bezorgd. Het is niet zo dat mensen die voor netneutraliteit pleiten, allemaal niet begrijpen wat een CDN is en ‘hoe het internet tegenwoordig werkt’, zoals de auteur lijkt te willen suggereren.

Netneutraliteit vs voorrang verkopen op de digitale snelweg
Het probleem met netneutraliteit ontstaat wanneer voorrang op de netwerken wordt verkocht en specifiek verkeer wordt gehinderd of geprioriteerd in de routers op basis van of en hoeveel iemand aan de ISP heeft betaald. Dat is alsof de exploitant van de snelweg aan de automobilisten geld gaat vragen om vaker groen licht te krijgen bij het stoplicht dan anderen. Of automobilisten gaat afpersen door te dreigen dat de lichten op rood gaan als ze niet extra betalen. Mensen met weinig geld staan dan voortdurend stil in een lange file en mensen met veel geld betalen in feite teveel om normaal van A naar B te raken.

Wel en wee van concurrentie
De schijnbare eindconclusie ‘het enige dat we nodig hebben is meer concurrentie tussen ISP’s’, is mij ook te makkelijk. Alsof we gewoonweg wat magisch concurrentiepoeder over de markt uit kunnen strooien om al onze problemen op te lossen. Sinds de jaren 80 wordt al geprobeerd om concurrentie te realiseren in de telecommarkten, maar we lijken ons na al die tijd eindelijk wat beter te realiseren hoe moeilijk dat is in een netwerksector met nutskarakter. Dat wil niet zeggen dat we het niet moeten proberen, maar we moeten ons wel bewust blijven van de beperkingen. Op het gebied van webwinkels is er bijvoorbeeld enorm veel keuze en concurrentie, maar dat maakt nog niet dat er geen regels meer nodig zijn om consumenten te beschermen. In de bankensector is er ook concurrentie, maar dat betekent niet dat daar geen regels nodig zijn.

Opengooien kabel?
Het verplicht opengooien van de coax-infrastructuur zou een idee kunnen zijn, zoals de heer McMillan suggereert, maar dat zou wel een moeizame operatie zijn. De kabelaars zijn er eerder al in geslaagd om de infra voor televisie gesloten te houden, ondanks verwoede pogingen van OPTA destijds om deze open te breken. En ook dan kan nog steeds niet worden gewaarborgd dat iederéén kan beschikken over goede kwaliteit breedbandtoegang, omdat coax-aansluitingen niet overal in Nederland beschikbaar zijn. Bovendien blijft de capaciteit van coax-kabel voor de overdracht van digitale data toch beperkt tot slechts een fractie van de capaciteit van glasvezel.

Investeren in openbare infrastructuur
Concurrentie zou wel gefaciliteerd kunnen worden, door publiek te investeren in openbare infrastructuur en zodoende toetredingsbarrières weg te nemen. Waarom komen dominante ISP’s weg met het aanbieden van verbindingen die schandalig langzaam zijn vergeleken met wat er mogelijk is als er glasvezel tot alle huizen zou liggen? Waarom komen ze (bijna) weg met plannen om voorrang te verkopen op verstopte netwerken met verouderde kabeltypes in plaats van te investeren in letterlijk duizenden keren snellere netwerken die volledig van glasvezelkabels zijn gemaakt?

Vooral ook omdat het duur is om zelf een netwerk aan te leggen en daarbij vooral de ‘last-mile’ verbindingen naar de huizen. Volgens de Europese Commissie zit ongeveer 80% van de kosten van een modern netwerk in zaken als geulen graven en kabels leggen. Als we die hoge barrière nou eens slechten door de passieve infra voor de last-mile in het algemeen belang aan te leggen en vervolgens ISP’s met elkaar laten concurreren wie de beste diensten over die infra kan bieden? In Stockholm is dit model al beproefd en dat schijnt tot dusverre over de jaren al een totaal van 2 miljard aan opbrengsten te hebben opgeleverd.


Dit artikel verscheen op 25 juni 2014 op de blog van ICTRecht en is met toestemming van de auteur op ISP Today gepubliceerd.